Geschiedenis
Groessen is een van de oudste parochies in de Liemers; ze werd reeds genoemd in een akte uit het jaar 838. In 970 behorde de kerk aan het stift op de Elterberg. In deze periode moeten Duiven en Groessen een parochie zijn geworden die in het jaar 1131 weer werden gescheiden door de latere bisschop Andreas van Cuijk. Het recht om de pastoor te benoemen berustte lange tijd bij Huis de Boetselaar te Appeldorn bij Kalkar, later bij Huis Rijswijk; tot 1852 was het in handen van de familie Van Spierinck die in de 16e / 17e eeuw eigenaar van Rijswijk was. De oudste vermelding van een Groessense pastoor stamt uit 1313; vanaf het midden van de 16e eeuw zijn de namen van de pastoors nagenoeg allemaal bekend. Een zekere bekendheid geniet Jacob Vallick die in de tweede helft van de 16e eeuw het Kerckenboek thoe Groessen schreef, maar ook een boek over toveren (verschenen 1598 te Hoorn). De kerk had drie vicariën. De oudste was gewijd aan St. Nicolaas en werd in 1410 gesticht. De bekendste vicaris was Reindert Noerinck, die omstreeks 1560 ook schoolmeester was. Van onbekende datum, maar wel jonger, is de vicarie van Maria Magdalena, terwijl de St Antoniusvicarie de jongste is (gesticht 1481).

Bouwgeschiedenis

Tot in de 12e eeuw stond volgens de overlevering de kerk nabij boerderij de Weem aan de noordzijde van de Woerd. In de tweede helft van de 12e eeuw werd een kerk gebouwd op de huidige plaats waarvan de toren is overgebleven. Deze toren bevatte drie geledingen met een indeling in lisenen en boogfriezen. Het westportaal heeft een omlijsting van basaltlava (laatgotisch) met twee doodshoofdjes. In de westgevel een reliëf voorstellende Christus met de wereldbol (plm. 1500). In de toren aanzetten van gewelven. In de 15e eeuw werd het Romaanse langhuis afgebroeken en vervangen door een driebeulig schip met ribgewelven en kraagstenen. In 1890 volgde de eerste verbouwing van het priesterkoor door architect J. Boerboom. Bij de daaraan gekoppelde restauratie ging middeleeuwse wandschilderingen verloren. In 1932/1933 volgde nogmaals een vergroting door architect H. Valk waarbij het priesterkoor uit 1891 werd afgebroken.